zondag 13 november 2011

Rom. 6,1-11 - Gods uitweg...


Doop: Elin Guineau & Marit Vos beluister

Verwarrend
In ons gezin is het een wat vreemde zondag, deze zondag.
Annet is op bezoek bij mijn zwager en schoonzus, want zij laten zich vanmorgen dopen. Voor hen een groot feest, zo lieten ze ons weten. En ik mocht vanmorgen Elin en Marit dopen. Voor ons een groot feest.
Zo, zullen jullie misschien zeggen, twee volwassen familieleden én twee kinderen hier in de gemeente dat is dan dubbel feest deze zondag in jullie gezin!
Nou, wij zijn er ook een beetje verlegen mee, want we vermoeden dat zij, mijn zwager en schoonzus, van de doop van deze kinderen zullen zeggen: ‘nou hebben ze het wéér gedaan!” “Waarom eigenlijk?” Want, zo moeten jullie weten, zij wáren al gedoopt, maar laten zich nu toch nog dopen. Ik ga er vanuit dat zij dat doen omdat ze hun eerste doop niet voldoende of nog waarschijnlijker: niet juist vinden. En dat is meer verwarrend dan feestelijk.
Een verwarring die niet tot ons gezin beperkt blijft, weet ik. Het is niet de eerste keer dat wij het in onze omgeving meemaken, eerder waren het vrienden en kennissen. En zo, weet ik en denk ik, een aantal van jullie hebben dit ook al, soms meerder keren, meegemaakt: familie en kennissen die zich dan later écht laten dopen. Dit komt onder gelovige christenen tegenwoordig zó regelmatig voor dat je rustig kunt zeggen dat het een trend aan het worden is. Het lijkt wel of de één na de ander ontdekt hoe het wél moet en zich alsnog (wéér zeggen wij) laten dopen. En dat kun je soms ook horen zeggen als je er bij bent in zo’n doopdienst: die doop als kind was niet terecht.

Je doop als kind komt zo in een wat twijfelachtig licht te staan. Van: zo hoort het toch eigenlijk niet! Je wilt blij zijn voor je zwager en schoonzus, maar als je dat doet betekent dat tegelijk dat je eigen doop eigenlijk niet juist is. Dat maakt het vooral verwarrend vanmorgen!
In het licht van je eigen doop als kind, hoef je dit –die geloofsdoop van mijn zwager en schoonzus- niet als feestelijk te beleven, maar het is dáár vanmorgen vast wel groot feest in die gemeente. Het ziet er wel heel feestelijk uit. Ze zijn ongetwijfeld enthousiast, mijn zwager en schoonzus. Vol geloof en overtuiging, waarvan ze in hun nieuwe gemeente ook zullen getuigen. Vóór hun doop, zo is het daar de gewoonte. Vast heel mooi!
En dan gaan ze onder in het water en komen weer boven: helemaal nat en gelukkig. Dat belééf je ook als een nieuw begin. Daar hangt de sfeer omheen van ‘op reis gaan’. Een sfeer van verwachting. Je hebt er tijden over nagedacht, veel informatie verzameld. En alles bij elkaar ben je er van overtuigd geraakt dat dít de reis van je leven gaat worden. En nu is het dan zover: je staat op het perron van het station. En dáár staat een gouden trein, de deuren al open. Vandaag ga je de stap zetten. Jij stapt óók aan boord, de deuren sluiten en je gaat op reis een nieuwe toekomst tegemoet. […]. Voel je de verwachting? Je ziet dat vanmorgen zeker in die dienst terug.
Ja en hoe feestelijk ook, dat is bij ons toch wel anders hè. Vertederend hoor die babies, maar nog geen geloofsgetuigenis, geen zichtbare ervaring en enthousiasme bij hen. Dat moet allemaal nog blijken. Het is allemaal nog zo pril! Zo kwetsbaar. Veel beloften, hoop en verwachtingen. Maar je ziet er nog niet zoveel van. Dat beleef je toch anders. Vanmorgen wil ik op zoek naar bijbels licht over deze verwarring
en dat brengt me bij Rom 6.

Exodus
Nu lijkt het erop, zo op het eerste gezicht als je dit zo leest, dat dit gedeelte de nieuwe trend bevestigd. De doop waarover Paulus schrijft, lijkt typisch een doop door onderdompeling. En in onze beleving is dat de vorm die met de geloofsdoop verbonden is.
Maar als je de vraag waarmee hij dit briefgedeelte begint tot je door laat dringen –een vreemde vraag- moeten (we) blijven zondigen om de genade te laten toenemen? (Rom 6:1 NBV), wordt er een andere kant van de tekst zichtbaar. Met de vraag wordt bedoeld, is het hoe meer zonde, des te meer genade? Maar wie vraagt nou zoiets?
In het hoofdstuk hiervoor had Paulus geschreven, dat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren (Rom 5:8 NBV). Jullie werden al door de Heer Jezus gered, toen jullie nog niet geloofden. Mensen die nog zondaars zijn worden al gered! Sommigen reageren daar misschien op met de opmerking: 'als dat zo is dan kun je maar raak zondigen. Hoe meer zonde des te meer genade. Lekker goedkoop zo.' Achter die vraag zit natuurlijk afkeuring: 'zo gemakkelijk kan het niet zijn'. Maar Paulus is heel stellig: zo is het absoluut niet. Zo moet je niet God omgaan! Na je redding mag je dat niet meer. En als je je dan realiseert aan wie hij dat schrijft: ‘wij (hij sluit zichzelf er bij in), die gedoopt zijn in Jezus’. (3)
Gedoopte mensen die de gedachte verleidelijk zouden kunnen vinden dat God je wel alles moet vergeven! Alsof je ze ná hun doop nog moet uitleggen wat die doop betekent. Waarom weten ze dat niet! Waarom voelt Paulus de behoefte om ze tegen die misvatting te beschermen? Ze hebben toch bewust voor deze stap gekozen? Dan mag je toch verwachten dat ze weten wat dit inhoud! Nou?

En als Paulus dan even verder het woord ‘slaven’ (6) gaat gebruiken, voor de mensen die maar blijven zondigen omdat ze denken dat God het ze toch wel vergeeft, dan begrijp je dat Paulus denkt aan het volk Israël in Egypte. Hij gebruikt die periode uit de geschiedenis van het volk van God om duidelijk te maken dat er inderdaad tijden waren dat het volk helemaal vast zat in hun ellende en daar niet aan konden veranderen. Logisch ze waren slaven van de Farao en moesten wel doen wat hij zei. Zo is dat met slaven! Maar, zo benadrukt Paulus, zo is het nu niet meer, 'wij zijn geen slaven meer van de zonde (7)', zoals zij het toen waren van Farao.
Paulus wijst hier terug naar de Exodus, de uittocht van het volk Israël uit Egypte, en gebruikt dat als voorbeeld voor de doop, de bevrijding van de christenen nu. Dopen is gered worden zoals het volk gered werd door de Rietzee heen. Twee hoge muren water, waar zij doorheen mochten wandelen en zo veilig aan de andere kant kwamen.
Petrus maakt ook zo’n verbinding tussen de doop en één van de grote reddingen van God: die van het gezin van Noach tijdens de zondvloed (1 Pet 3,20-21).
De doop is in het schrijven van Paulus en Petrus, dus veel meer verbonden met 'redding' dan met 'geloof en overtuiging' (2x). De doop heeft veel meer te maken met 'wat God doet: door God naar de andere kant geholpen worden', dan met 'wat mensen doen: uit overtuiging achter Jezus aan in een nieuw leven stappen'. Laat ik dat eens uitleggen!

Overgezet worden

Laat ik beginnen met een belevenis. In 2006 fietsten Wim, mijn zoon, en ik van Barneveld naar Niezijl in Groningen. Vroeg vertrokken kwamen we in het begin van de middag bij Zwolle aan .Vlak boven Zwolle kwam de NAP route abrupt tot een einde. Ineens stonden we aan de oever van de Vecht. Rechts naast het doodgelopen fietspad stond een paal met een bel. Daarop een vrijwel weggerot bord met daarop ‘bellen voor veer’. Aan de overkant zag de steiger er zo vervallen uit, dat we niet dachten die nog gebruikt werd. We gaven een slinger aan de bel, maar zonder veel hoop. En ook maar één keer, anders zou de paal vast doormidden gebroken zijn. Toen de bel was uitgeklonken, gebeurde er niets. We hadden net besloten terug te fietsen, toen zich van de overkant een oude, roestige, roeiboot losmaakte voortgeboomd door een kromme, broze, in onze ogen hoogbejaarde man. Langzaam kwam hij in onze richting. Toen hij ons zag, keek hij verstoord. Eenmaal in gesprek bleek hij de bel niet helemaal gehoord te hebben en was hij op weg om boodschappen te doen. Maar hij was wel de veerman! Hij vervoerde eigenlijk geen fietsen meer, zei hij. Maar voor ons maakte hij een uitzondering. Even langzaam boomde hij ons met fietsen en bagage naar de overkant, waar we voorzichtig op de oude vergane steiger stapten. Prijs: 50 ct. We hebben hem maar wat meer gegeven. Zo’n uitweg hadden wij nooit kunnen bedenken.

Zo was het ook voor het volk Israël. Ineens konden ze niet verder. Vóór hen de Rietzee, achter hen het leger van Farao. Reddeloos in de val. Dat dachten ze zelf ook. Maar wonderlijk genoeg komt er wél redding. De Here God maakt voor hen een weg waar je normaal niet kunt gaan: dwars door de zee. Nu net waar je het niet verwacht. Letterlijk een uit-weg! Ex-odus. En ze komen droog en veilig aan de overkant. Hun vijanden moeten aan de andere oever blijven en als ze toch proberen over te steken, komen ze om in het zeewater. Want de Here hield het pad voor hen niet open. Na die dag is hun slavenbestaan in Egypte definitief afgelopen. Ze zijn op nieuw terrein.
Kijk goed wat er gebeurt: het volk Israël besluit niet de Here te volgen en gaat daarna bewust door de Rietzee, maar het volk komt in nood en wordt keer op keer door de HEER gered op manieren die zij niet hadden kunnen bedenken. Gedachte: niet wij gaan op weg, maar het komt op onze weg: zowel de nood als onze redding. En de Here helpt ons verder. De Here zet ons over We komen in nood, zien geen uitweg, maar de Here geeft er toch één. Een redding die wij niet hadden kunnen bedenken en die er al was voordat zij er om begonnen te vragen: Gedachte: de reis begint bij God nog voordat ik er een mening over had. Niet 'wij gaan op weg, maar': 'het komt op onze weg'. Zij kwamen genade tegen… doordat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren (Rom 5:8 NBV)

En zo beschrijft Paulus het ook weer in zijn brief aan de Romeinen. We worden gered – door Christus- nog voordat we beseffen dat we redding nodig hebben en zonder dat we kunnen overzien wat het nu helemaal inhoudt. Er is nog helemaal geen verwachting, er is nog helemaal geen besluit. Als Christus ons redt is er nog geen geloofsovertuiging, blij enthousiasme of een ferm getuigenis.
We beginnen onze reis met de Heer kwetsbaar en klein en zonder dat we overzien wat er gebeurt. Als we aan het uiteinde van een doodlopende weg staan, komt onze veerman Jezus ons redden en brengt ons naar de overkant. Dat zie je in de doop. Nog voordat we om hulp gebeld hebben, worden we gered, gedoopt. En één geworden met onze Heer Jezus Christus sterven met Hem en staan we met Hem op in een heel nieuw leven. Dat betekent de doop

Ja maar…
Er moet toch tenminste een begin van geloof, van besef zijn? Nee, dat lees je in alles bij Paulus terug. Je wordt al door Christus gered, voordat je het beseffen kunt. Je wordt al gedoopt voordat je snapt wat het inhoudt. En Paulus waarschuwt zijn dopelingen hier achteraf: 'jullie beseffen toch wel wat er gebeurd is'. Met jullie doop zijn jullie gered. Jullie wonen niet langer in het land waar je slaaf van de zonde bent, je bent een nieuw leven begonnen. Verbonden en samen met je Heer Christus Jezus in zijn Koninkrijk.
Dat kwam vanmorgen eigenlijk zomaar op de weg van Elin en Marit. En onderweg wordt ze straks langzaamaan duidelijk wat hen overkomen is.

Wat mijn zwager en schoonzus gebeurt vanmorgen, is op zich een mooie gedachte. Zelf met God op weg willen is mooi… een besef dat tintelt van verwachting en overtuiging. Hun overtuiging wordt feestelijk zichtbaar, vanmorgen, daarvan ben ik overtuigd.
Maar wat Elin en Marit hier vanmorgen overkomt is nog mooier. Want dit komt van Gód. God gaat met hen onderweg. In hun doop stierf hun zonde met de Heer Jezus Christus en stonden zij nu al op in een nieuw, hoopvol, leven. In hun doop is God aan het werk: Hij geeft hen een nieuwe status. Dat is nog veel mooier: God aan het werk zien. We hoeven zijn liefde niet te verdienen. Vanmorgen liet Hij het ons zien. Zelfs ons kleine, kwetsbaarheid is voor Hem geen belemmering.
Op de vragen die sommigen ons stellen: jullie hebben het wéér gedaan, waarom eigenlijk? Kunnen we met Paulus zeggen: 'God heeft het weer gedaan, waarom?' Omdat Hij onvoorwaardelijk van ons houdt. We hebben vanmorgen de doop van Elin en Marit gezien, We hebben vanmorgen opnieuw de exodus gezien. Dat is een geweldig besef! 

Amen

woensdag 2 november 2011

Er blijft altijd iets te danken over - Hab. 3,17-19 Dankdag 2011



Contrast beluister

“O Heer wij danken U van harte
voor nooddruft en voor overvloed
Waar menig mens eet 't brood der smarte
hebt Gij ons mild en wel gevoed
Doch geef dat onze ziele niet aan dit vergank'lijk leven kleve
maar alles doen wat Gij gebiedt
en eind'lijk eeuwig bij U leve.
Amen”


Een oud tafelgebed dat ik vandaag in de krant zag staan.
Het is mij heel vertrouwd, ik heb het mijn moeder vaak horen bidden.
Hoewel ik het pas vandaag voor het eerst helemaal begreep (nooddruft...)

Dit gebed én mijn moeder, dank én rouw. Dat vat voor mij persoonlijk dit jaar wel samen. Contrast! Voor onze gemeente was het ook zo’n jaar. 2011 is voor ons gemeente vooral het jaar van Het Feest van Genade én van het overlijden Rachel geworden. Niet dat er geen andere zieken waren en zijn: Lieke, Melia, Lize, Arnold, Arie, Barbara, Emil, Ida, Jordy … ga zo maar door en dan al die anderen die er zijn… Niet dat er geen andere vreugde was: een heel stel ouders hier hebben het vorstelijke feest van het huwelijk van hun kind meegemaakt.
Maar het gaat me om het contrast: grote vreugde afgewisseld met diep verdriet.

Met Dankdag vind ik dat wel spannend. Hoe gaan wij daar dit jaar -waarin het contrast zo groot is gebleken- vorm aan geven? Hoe past het verdriet om Rachel bij de vreugde om het Feest van Genade? Om maar twee dingen te noemen. Kun je helemaal van harte dankbaar zijn of zit er altijd wel een rouwrand omheen?
Je zou zeggen: dat betekent dus danken met gemengde gevoelens. En als we eerlijk naar ons leven kijken is die mix er altijd! Dat wordt me dit jaar helder duidelijk en jullie waarschijnlijk ook. En het is goed om ons dat deze Dankdag te realiseren.
Deze schepping is prooi aan de zinloosheid, staat er in Rom. 8,20. En dat maak je zelf ook volop mee. Grote en kleine rampen in onze levens én die van anderen. En dat heeft ons geraakt, dit jaar. Fel en diep als het ons eigen leven betrof, verdrietig en dof als het wat verder weg is, in je omgeving is. Ja, we lijden ook met de anderen mee. Zo is dat geworden als je met anderen samenleeft.
En dan is er nog het grote lijden in de wereld: de Tsunami in Japan, Honger in de Hoorn van Afrika, een gewelddadige lente in de Arabische wereld, aardbevingen en overstromingen. Vervolgde christenen in de gevangenis, anderen vermoord. Ik zal jullie eerlijk zeggen: ik weet soms niet goed hoe ik daarmee om moet gaan! Mijn gebed stompt af, al zoveel gebeden. Het één is voorbij en er is alweer iets anders. In mijn gevoelswereld past het er soms gewoon niet meer bij. Wat blijft is een soort doffe verlegenheid…ik zou…

‘Ja’, zeggen we dan: 'je kunt het leed van de hele wereld niet op je nemen.' En dat is waar. Dat kan niet! Dat kunnen wij niet. Dat kán alleen onze Heer.
Maar je kunt het ook niet wegdrukken zonder een vreemde voor jezelf te worden. Je bent een christen: Gods Geest maakt barmhartigheid, medeleven, in je wakker. En dat maakt dat de nood van anderen aan je gaat trekken. Het trekt aan je, al kun je nog steeds je kiezen en niets mee te doen...
Dankdag vieren is een ingewikkelde zaak: zoveel emoties die dwars door elkaar lopen. Zeker voor ons hier in Nederland. Wij kunnen nooit zeggen, dat we wel wat anders aan ons hoofd hebben. Want wij zijn heel goed geïnformeerd via onze Massamedia en wij zijn héél rijk, zelfs de armsten onder ons. We hebben dus volop gelegenheid te helpen. Wij hier in Nederland horen -hoorde ik onlangs iemand zeggen- bij de 1% rijken van de wereld.


Een wereld vol tegenstellingen dus, maar toch wil ik danken. Want elke morgen gaat de zon weer op en wordt ik wakker in mijn eigen bed en is er eten, en kan ik werken. Als ik niet in mijn eigen bed sliep was dat mijn eigen keuze. En als ik 's morgens niet at, dan deed ik dat omdat ik geen zin had. Maar 't kon wel. Het was er allemaal. En ik kon kleren kopen en nog een hele boel meer...
Na de begrafenis van Rachel aten we een broodje met de familie- het leven gaat door zeiden we toen tegen elkaar, op de avond van 16 oktober - de sterfdag van mijn moeder- hebben we gegeten in de kamer naast mijn moeder. Het leven gaat door.
Ook in onze grote rampen bleef God voor al het andere zorgen dat we nodig hebben. Hij laat altijd iets over om voor te danken. Toch wel…

Maar met lege handen?
Maar stel je nou eens voor dat de Eurocrisis verder uit de hand loopt. En het ook bij ons helemaal fout gaat. Stel je voor dat er zelfs weer honger komt. Onvoorstelbaar! Ja echt, onvoorstelbaar?
Er zijn mensen lid van onze gemeente, die de hongerwinter hebben meegemaakt. 67 jaar geleden stierven twintigduizend Nederlanders van de honger. Ja maar dat is uitzonderlijk! Ja natuurlijk is dat uitzonderlijk: oorlog, een koude winter en een wraakzuchtige vijand. Uitzonderlijk, maar niet ondenkbaar.
Zou je de Here dán ook kunnen danken. Wanneer ook ‘al dat andere’ er niet meer is? 's Nachts geen verwarmd huis, 's morgens geen ontbijt en maar afwachten of je die dag te eten krijgt. De toekomst van je bedrijf is onzeker en je inkomsten zijn dat dus ook. Je vraagt je af hoe je je hypotheek moet betalen.
En over de verdere toekomst denk je maar helemaal niet na. Je leeft bij de dag.
De grote rampen dringen minder tot je door omdat al dit kleine je zo bezighoudt.
Sommigen onder ons maken dit al mee als het om hun gezondheid gaat. Je slaapt niet in je eigen bed, en het eten smaakt je niet, en je leeft bij de dag. Je kunt gewoon niet verder kijken.
Kun je de Here dan nog wèl danken?

Dat is wat de profeet Habakuk beschrijft
Al zou de vijgenboom niet bloeien, (geen zoete vijgenkoeken dat jaar)
en er geen opbrengst aan de wijnstokken zijn, (geen wijn aan tafel, druivenkoeken of krenten en rozijnen
de vrucht van de olijfboom teleurstellen; (weinig olie en dus geen nauwelijks licht)
al zouden de akkers geen spijs opleveren, (vrijwel niets meer te eten)
de schapen uit de kooi verdreven zijn (geen vlees, geen wol, geen schapenmelk/kaas)
en er geen runderen in de stallingen zijn, (Hab 3:17 NBG) (geen vlees, geen melk, geen trekdieren om het land te bewerken, geen mest).

Dat laatste maakt duidelijk dat er eigenlijk ook geen zicht meer is op de toekomst. Als je het land niet meer kunt bewerken, wat mag je dan nog verwachten voor je levensonderhoud in de toekomst.
Eerder in het boek Habakuk lezen we over de ramp die de goddeloze Chaldeeën over het land Israël zullen brengen. De profeet Habakuk begrijpt beslist niet dat de Heer zulke goddeloze geweldenaars gebruikt om zijn volk te straffen voor hun ongeloof. Het middel is erger dan de kwaal. En toch wordt de waarom-vraag en de hoelang nog? vraag, gesteld (aan het begin van het boek) juist omdat de profeet vertrouwen in God heeft. En in 2,4 staat: de rechtvaardige zal door vertrouwen (door geloof) leven. En hier –in H.3- tekent hij dat vertrouwen in zijn Heer verder uit…
‘Al had ik niets meer om van te leven’, Toch zal ik juichen voor de HEER, jubelen voor de God die mij redt. (Hab 3:18 NBV)
Al heb ik niets meer om van te leven, God zal me redden…, want zo staat Hij tegenover me. Redden door me weer te eten te geven? Misschien, zeker is dat op de lange termijn mijn leven veilig is bij God. Op déze aarde of anders op de nieuwe…
 De HEERE is zoals de zon die iedere dag weer opkomt, het ritme van ons leven, na iedere nacht kom er toch weer een nieuwe dag…
Want de HEERE is met ons. Bij de HEERE blijft er altijd iets te danken over… toch wel.

Andere belichting
Dat zet ons leven in een ander licht.
Dit jaar zijn er vreselijke en verdrietige dingen gebeurd en nóg gebeuren ze. Wereldwijd, in ons land, maar ook heel dichtbij in onze eigen gemeente en in onze eigen levens.
Toch bleef de Here voor de dagelijkse dingen zorgen: gezondheid, eten, een dak boven ons hoofd en meestal veel meer dan dat…
Maar de profeet Habakuk leert ons niets alleen maar dankbaar te zijn voor wat wij van God krijgen, maar voor Hem zelf. God geeft Zichzelf aan ons. Het gaat niet om de dingen, het gaat om God.
Paulus schrijft: Als God voor ons is, wie kan dan tegen ons zijn?
 32 Zal hij, die zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar hem omwille van ons allen heeft prijsgegeven, ons met hem niet alles schenken?
(Rom 8:31-32 NBV)
Broers en zussen, dan kun je veel verliezen: een dierbare, je gezondheid en misschien zelfs je middelen van bestaan, als God mét ons is, dan hebben we zelfs dan nog steeds het belangrijkste over: De God die ons redt!
Dat besef maakt de profeet Habakuk, zelfs in heel moeilijke omstandigheden, sterk en vol levensmoed: God, de HEER, is mijn kracht, hij maakt mijn voeten snel als hinden, hij laat mij over mijn bergen gaan. (Hab 3:19 NBV)
Het kan moeilijk zijn onderweg, maar met de Here erbij kom ik toch goed terecht. Hij zet ons leven in een ander licht.

“O Heer wij danken U van harte
voor nooddruft en voor overvloed
Waar menig mens eet 't brood der smarte
hebt Gij ons mild en wel gevoed
Doch geef dat onze ziele niet aan dit vergank'lijk leven kleve
maar alles doen wat Gij gebiedt
en eind'lijk eeuwig bij U leve.
Amen.beluisterbeluister